Op 5 februari 2016 promoveerde Dr. M. Klein Hofmeijer-Sevink aan de Universiteit Utrecht op haar proefschrift: ‘Complex anxiety disorders: risk factors, underlying mechanisms and treatment enhancement’. In haar onderzoeken richtte zij zich voornamelijk op de comorbiditeit bij angststoornissen en d-cycloserine als mogelijke ‘leerpil’ bij exposuretherapie.

Tot wel 80% van de mensen met een angststoornis (bijvoorbeeld een paniekstoornis, sociale fobie, specifieke fobie, gegeneraliseerde angststoornis of agorafobie) heeft gedurende zijn of haar leven ook last van een andere psychiatrische aandoening, dit noemt men comorbiditeit. Vooral een comorbide andere angststoornis of comorbide depressie komt vaak voor. In het eerste deel van haar proefschrift focuste Mieke zich op deze zogenaamde comorbiditeit. Mieke toonde in haar onderzoeken de klinische relevantie van comorbiditeit in angststoornissen aan. Mensen met een comorbide andere angststoornis of een comorbide depressie bleken op jongere leeftijd klachten te krijgen, ernstigere klachten te hebben en er was meer sprake van chroniciteit. Meer specifiek vond Mieke dat mensen met meerdere angststoornissen op jongere leeftijd klachten kregen en deze klachten vaker chronisch waren, terwijl mensen met angst en comorbide depressie vaker behandeling zochten en meer beperkingen in het dagelijks leven ervoeren. Mensen met ‘dubbele comorbiditeit’ (zijnde meerdere angststoornissen en een depressie) hebben nog meer klachten, meer chroniciteit en meer beperkingen in het dagelijks leven.

Het tweede deel van het proefschrift van Mieke focuste zich op het gebruik van de stof d-cycloserine (DCS) om de behandeling van angststoornissen te versnellen of verbeteren. Mieke testte de theorie dat het antibioticum DCS ook als ‘leerpil’ kan worden ingezet. Dit houdt in dat DCS het beklijven van exposuretherapie versterkt. Tijdens deze therapie wordt de patiënt blootgesteld aan zijn of haar angst opwekkende stimulus. De patiënt leert te onderzoeken of de angstige theorie die hij of zij heeft opgesteld stand houdt. DCS zou in dit proces mogelijk het beklijven van het geleerde stimuleren. Wereldwijd is twee keer eerder een dergelijk onderzoek bij patiënten gedaan, en Mieke onderzocht als eerste de invloed van DCS bij Nederlandse patiënten met een paniekstoornis. 60 patiënten met een paniekstoornis kregen 12 exposuretherapie-sessies. Voor, tijdens, en na de 12 weken exposuretherapie vonden meetmomenten plaats. Helaas vond Mieke geen verschil in het effect van exposuretherapie tussen patiënten die DCS gebruikte en patiënten die het middel niet kregen. Het is mogelijk dat DCS inderdaad niet de juiste werking heeft bij paniekstoornissen. Een andere mogelijkheid is echter dat de onderzochte patiëntengroep in het onderzoek van Mieke te klein was om een effect aan te tonen. Mogelijk worden wel positieve resultaten gevonden wanneer de grootte van de patiëntengroep, dosering van DCS, en/of timing en frequentie van toediening worden aangepast. Op dit moment zijn de resultaten nog onvoldoende om het gebruik van DCS als ‘leerpil’ toe te passen in de praktijk. Vervolgonderzoek moet hiervoor verdere aanwijzingen geven.

Prof. dr. M. A. van den Hout (Universiteit Utrecht) en Prof. dr. A. J. L. M. van Balkom (VU Medisch Centrum en GGz inGeest), waren de promotoren, co-promotoren waren Dr. D. C. Cath (VU Medisch Centrum en Altrecht) en Dr. H. J. G. M. van Megen (GGz Centraal).

Lees meer over het onderzoek van Mieke in het interview met haar. Mieke publiceerde onder andere tweemaal in het Journal of Affective Disorders (artikel 1, artikel 2)