nieuwe behandeloptie bij paniekstoornissen

Mieke Klein Hofmeijer-Sevink werkt sinds 2006 bij GGz Centraal en specialiseerde zich op locatie Veldwijk tot psychiater. Momenteel is zij werkzaam op de poli voor stemmings- en angststoornissen bij Symforameander in Amersfoort. Daarnaast coördineert zij het co-schap psychiatrie voor GGz Centraal.

Op 5 februari promoveerde Mieke op het onderwerp complexe angststoornissen. Tijdens haar promotietraject voerde zij verschillende veelbelovende studies uit: 3 studies naar comorbiditeit als risicofactor, 1 studie naar een onderliggend psychologisch mechanisme en 1 studie naar een nieuwe behandeloptie waarbij therapie gecombineerd wordt met het medicijn d-cycloserine (DCS). Wij waren nieuwsgierig naar deze nieuwe behandeloptie en stelden Mieke hierover een aantal vragen. Ook vertelde ze ons over haar ervaringen met promoveren.

Wat houdt de nieuwe behandeloptie precies in?
Een combinatie van exposure-therapie en het medicijn DCS. Voorheen werd DCS gebruikt als antibioticum, maar er bestaat een theorie dat het medicijn mogelijk ook als “geheugenpil” kan werken. Het idee is dat exposure-therapie beter beklijft. Bij dieren bleek dit inderdaad het geval te zijn. Ik heb gekeken of dit mogelijk ook werkt bij patiënten met een paniekstoornis.

Waarom heb je voor deze studie gekozen?
In eerste instantie omdat ik het leuk vind om met patiënten te werken, wat bij deze studie veelvuldig nodig was. Daarnaast vond ik de combinatie van therapie en medicatie erg boeiend en ook passend bij deze tijd. We kijken steeds meer naar wat goed zou kunnen werken voor het individu, in plaats van dat we één algemene therapie inzetten. Met dit onderzoek hoop ik de mogelijkheden aan therapie verder uit te breiden, zodat de kans steeds groter wordt dat de patiënt een therapie krijgt aangeboden die bij hem of haar past.

Is er eerder onderzoek gedaan naar dit onderwerp?
Er is wereldwijd twee keer eerder een vergelijkbaar onderzoek gedaan naar DCS bij patiënten met een paniekstoornis. Maar dit is de eerste keer dat het onderzoek bij Nederlandse patiënten wordt uitgevoerd.

Op welke locaties van GGz Centraal vond je onderzoek plaats?
In Harderwijk op de poli van het Marina de Wolf Centrum en in Barneveld op de poli voor stemming en angststoornissen. Buiten GGz Centraal deden ook Altrecht en GGZ inGeest mee.

Hoe heb je dit onderwerp onderzocht?
60 patiënten met een paniekstoornis kregen 12 exposuretherapie-sessies die wekelijks plaatsvonden. De eerste 6 sessies werden gecombineerd met DCS. De patiënten werden in 3 groepen verdeeld: patiënten die een half uur voor de sessie DCS innamen en na de sessie placebo, patiënten die direct na afloop van de sessie DCS innamen en een half uur voor de sessie placebo en patiënten die zowel voor als na de sessie placebo’s kregen. Voor, tijdens en na de 12 weken vonden er meetmomenten plaats en werd de deelnemers gevraagd zelfinvulvragenlijsten in te vullen.

Wat zijn de resultaten?
Er werd geen verschil gevonden in effect van de therapie tussen patiënten die DCS of placebo kregen. Het kan zijn dat DCS inderdaad niet de juiste werking heeft bij paniekstoornissen, maar het is ook mogelijk dat we toch een te kleine groep patiënten hebben onderzocht. In ieder geval zijn de resultaten nog onvoldoende om er al gebruik van te maken in de praktijk. Mogelijk worden er wel positieve resultaten gevonden wanneer de dosering, timing en frequentie van DCS worden aangepast. Dus genoeg aanleiding voor verder onderzoek!

Welke voor- en nadelen heeft je studie gehad voor de deelnemers?
Met name het feit dat deelnemers vlot aan de behandeling konden beginnen en ze een  evidence based therapie ontvingen welke werd gegeven door goede, extra geschoolde therapeuten zie ik als grote voordelen. Een nadeel blijft natuurlijk dat je als deelnemer niet weet of je het echte medicijn of een placebo krijgt toegediend en je nog niet weet of het wel of niet werkt.

Wat denk je dat jouw studie bijdraagt aan de zorg?
Ik denk en hoop dat de studie eraan bij draagt dat er in de toekomst nog meer gekeken zal worden naar de individuele behoeftes op het gebied van therapie. Ook hoop ik dat het onderzoek mogelijkheden biedt voor het behandelen van meer complexe, chronische stoornissen. En het zou kunnen dat therapieën in de toekomst verkort kunnen worden wanneer DCS wordt ingezet.

Wat zijn de reacties van collega’s op je studie?
Ik heb veel goede reacties gekregen, vooral ook van verwijzers. De studie werkte voor zowel de deelnemers als de therapeuten als een stok achter de deur om het protocol goed te volgen en niet vroegtijdig met de therapie te stoppen.

Hoe is de samenwerking met collega’s en promotoren verlopen?
Goed! Het was een leuk team met therapeuten, wat de samenwerking erg prettig maakte. Ook over het contact met mijn promotoren (Marcel van den Hout en Ton van Balkom) en mijn co promotoren (Danielle Cath en Harold van Megen) ben ik zeer tevreden. Een goede ervaring.

Wat maakt het doen van onderzoek voor jou zo leuk?
Ik vind het ontzettend leuk om mij te verdiepen in een onderwerp en de vraagstukken die ik daarbij tegenkom uit te zoeken. Daarnaast spreekt de afwisseling qua werkzaamheden mij erg aan: poli, onderwijs en onderzoek. Ook heb ik graag een aandeel in het verbeteren van de richtlijnen voor behandelingen.

Wat is jouw advies als je op een onderwerp wilt promoveren?
Er wordt vaak geadviseerd om te beginnen aan een promotie op een onderwerp waar ’je hart ligt’. Dat is natuurlijk een heel mooi uitgangspunt, maar soms is het ook juist leuk om ergens blanco in te stappen en te kijken of het mogelijk bevalt. Zo heb ik het ook aangepakt. Ik heb in eerste instantie een artikel geschreven over stotteren en merkte dat zowel het onderwerp, als het schrijven en onderzoeken mij boeide. Vanuit hier ben ik toen verder gegaan met promotieonderzoek op het gebied van angst.

Heb je verder ook nog tips voor toekomstige onderzoekers binnen GGz Centraal?
Kies je eigen route. Voor mij werkte het bijvoorbeeld goed om mijn onderzoekswerk te blijven combineren met het werken op de poli. Hierdoor nam het onderzoek wel meer jaren in beslag, maar de afwisseling hield me scherp en maakte ook dat ik niet te ver weg raakte van de praktijk.

Ben je ondertussen benieuwd geworden naar het volledige proefschrift? Dan kun je deze opzoeken in de bibliotheek bij Zon & Schild onder de naam: Complex anxiety disorders. Risk factors, underlying mechanisms and treatment enhancement. Ook hebben we bij Innova een exemplaar liggen die je altijd in mag zien! Voor verdere vragen kun je per e-mail contact opnemen met Mieke: m.klein2@ggzcentraal.nl 

*** Plattetekst

*** Plattetekst

**** Tussenkop [Koptekst 3]

*** Tekst en beeld

*** Tekst en beeld

*** Tekst en beeld

**** Tussenkop [Koptekst 3]

*** Plattetekst