beweging in trauma

In het onderzoek ‘Beweging in Trauma’ staat de vraag van psychomotorisch therapeuten binnen de gespecialiseerde psychotraumacentra centraal. Deze vraag gaat over de effectiviteit van psychomotorische therapie (PMT) in de eerste ‘stabilisatie’ fase van de behandeling van complex (meervoudig en langdurig) trauma.

Binnen het onderzoek wordt een nieuwe PMT-module onderzocht. In het onderzoek wordt de effectiviteit van de toevoeging van deze module vergeleken met het reguliere behandelaanbod voor cliënten met complex trauma. Het onderzoek loopt tot en met juni 2016 en wordt uitgevoerd door onderzoekers van het lectoraat ‘Bewegen, gezondheid en welzijn’ van Hogeschool Windesheim. Andere partners in het onderzoek zijn: Stichting Centrum ’45, Equator Foundation, GGz Altrecht, GGz Drenthe en PsyQ Den Haag. Daarnaast is er een expertgroep betrokken met deskundigen werkzaam bij Universiteit Utrecht, VU Amsterdam en Hogeschool Zuyd.

Transit GGz Centraal is het eerste centrum waar gewerkt is aan de hand van de voor dit onderzoek ontwikkelde psychomotorische module. Marieke Hoven, sinds 2004 psychomotorisch therapeut (sinds 2009 op masterniveau en recent gecertificeerd voor level 3 Sensorimotor Psychotherapy) heeft de module samen met beeldend therapeut (en teamleider vaktherapie) Marleen Muthert tussen april en juli aangeboden. Vanwege deze primeur en het nog lopende onderzoek naar de module, is Marieke Hoven door Krista van Berkel, werkzaam bij Windesheim, geïnterviewd over psychomotorische therapie bij complex trauma en over haar ervaringen met de module.

Je bent lid van de werkveldgroep trauma van de NVPMT, wat houdt dat in?
De werkveldgroep is zoals de naam wel zegt, een groep psychomotorisch therapeuten die allen met de doelgroep (complex) trauma werken. Het is heel inspirerend om met andere psychomotorisch therapeuten over de problematieken na te denken en ervaringen en kennis uit te wisselen. Het is onderling heel herkenbaar, maar toch ook weer verrassend anders vanwege soms grote verschillen binnen de doelgroep; vroegkinderlijk trauma, veteranen of vluchtelingen.
De werkveldgroep bestaat uit actieve leden, maar er is ook een belangstellende groep die via de actieve leden op de hoogte gehouden wordt van ontwikkelingen en werkzaamheden. In deze werkveldgroep is ook de vraag om onderzoek naar psychomotorische therapie in de stabilisatiefase van complex trauma ontstaan.
Een aantal leden uit deze werkveldgroep, aangevuld met enkele andere experts op het gebied van complex trauma, hebben de module ontwikkeld voor het onderzoek ‘Beweging in trauma’. De ideeën en uitwerking van de module werd regelmatig getoetst in de werkveldgroep.

Je hebt nu ruim 10 jaar werkervaring bij Transit GGz Centraal, is er in die tijd wat veranderd?
Transit GGz Centraal is steeds meer gaan specialiseren op trauma. Het is een Top Referent Traumacentrum aangesloten bij het samenwerkingsverband TRTC’s in Nederland. Cliënten die hier in behandeling komen, zijn veelal voor hun achtste levensjaar geconfronteerd met mishandeling, misbruik en/of verwaarlozing.
Als therapeut merk je dat de zwaarte van de problematiek in de derde lijn is toegenomen. Het aantal cliënten dat zich aanmeldt met een dissociatieve stoornis is toegenomen en we zien ook meer comorbiditeit. Dit heeft ook te maken met het feit dat tegenwoordig de lichtere problematiek meer in de eerste lijn, bij de huisarts, wordt behandeld.

Wat is de rol van de psychomotorisch therapeut bij de behandeling van complex trauma?
Het beroepsprofiel (2009) definieert psychomotorische therapie als een behandelvorm waarbij op methodische wijze gebruik wordt gemaakt van interventies gericht op de lichaamsbeleving en het bewegingsgedrag. Bij cliënten met complex trauma is het lijf altijd aangedaan; door vroegkinderlijk trauma kan de ontwikkeling in de groei geschonden zijn, maar ook manifesteren traumatische herinneringen zich in het lijf. In elk geval is de lichamelijke integriteit geschonden en dat maakt dat psychomotorische therapie voor deze doelgroep zeer geschikt kan zijn.
In de stabilisatiefase wordt veel stilgestaan bij lichaamssignalen. De cliënt probeert te verkennen welke signalen in het lichaam op te merken zijn, zoals hartslag, lichaams-temperatuur en spierspanning. Door deze lichaamssignalen te kunnen herkennen, worden cliënten minder overspoeld door bijvoorbeeld emoties en spanning die bij een herbeleving of bij opeens dissociëren horen. Ze voelen het eerder aankomen. Ook is het goed om de lichaamssignalen te leren onderscheiden in wat bij de gevolgen van het trauma hoort en wat gewone of prettige lichaamssignalen zijn.
Bij de psychomotorische therapie wordt geprobeerd om tijdens lichaams- of bewegingsgerichte activiteiten lichaamssignalen aan te voelen en te voorkomen dat de spanning verder oploopt. De cliënt leert vaardigheden om in het hier en nu te blijven. Deze vaardigheden zijn voor iedereen anders en in de therapie wordt geoefend wat werkt; voor de één is dit zintuiglijke waarneming, voor de ander is het rust of juist iets actiefs doen. Daarnaast kan er ontspanning en plezier ontstaan door met elkaar in de groep te bewegen. Ook kan er geoefend worden om zich weer vrij van angst te bewegen, grenzen te leren kennen en de interactie met elkaar aan te gaan. De cliënten leren door deze therapie onder andere hun emoties en spanning beter te reguleren waardoor de symptomen van complex trauma stabiliseren.

Wat is het voordeel van het werken met de psychomotorische module?
De module is bij uitstek geschikt voor de stabilisatiefase omdat er veel wordt stilgestaan bij de symptomen van complex trauma en daarmee geoefend wordt. Ik heb zelf gemerkt dat de psychomotorische module niet heel veel anders is dan wat ik al gewend was om te doen. Maar het is natuurlijk belangrijk dat de basis van de therapie bij deze doelgroep goed is opgeschreven, met mogelijkheden tot verder uitbouwen of aanpassen aan de groep die je voor je hebt. Daardoor is het een heel overzichtelijk kader geworden waarmee ook de minder ervaren psychomotorisch therapeuten goed kunnen werken. En het is een mooi ‘kijkje in de keuken’ voor degenen die minder bekend zijn met psychomotorische therapie of het werken met complex trauma.

Wat zijn de reacties van de cliënten die de PMT-module bij jou hebben gevolgd?
De cliënten waren allen zeer positief over de module. Elke cliënt had een aantal eigen doelen om aan te werken tijdens de module, zoals “bewustwording mate arousal”, “minder pieken en dalen/stabieler houden” en “grenzen voelen en aangeven”. Op deze doelen hebben ze vooruitgang geboekt. Ze noemden vooral beter bij zichzelf te merken wat er gebeurt en zo beter op de complexe PTSS symptomen te kunnen ingrijpen of er naar handelen.
De psycho-educatie in combinatie met “het in beweging komen” werden als belangrijke elementen van de module genoemd, naast “de houding van de therapeut (het is oké)” en de herkenning bij groepsgenoten. Opvallend was dat verschillende cliënten naast een aantal dezelfde, ook verschillende elementen uit de module noemden die belangrijk zijn geweest. Dit sterkt in de gedachte dat er binnen de module een goede balans is in de thema’s en werkvormen waardoor het voor ieder een toegevoegde waarde heeft gehad.

Tot slot, waarom is onderzoek naar psychomotorische therapie en complex trauma nodig?
Psychomotorische therapie is niet nieuw in de psychiatrie, er is echter nog niet veel onderzoek gedaan naar waarom het werkt en voor welke subgroepen en bij welke verschillende fasen binnen complex trauma. De verantwoording van deze therapie is nu nog teveel op ervaring gebaseerd.
Het is voor het vak én de cliënt belangrijk om psychomotorische therapie, ook voor degenen die er minder bekend mee zijn, als essentieel onderdeel te zien voor de behandeling van complex trauma.

Voor meer informatie over het onderzoek ‘Beweging in trauma’ kan contact opgenomen worden met Mia Scheffers:bewegingintrauma@windesheim.nl. Kijk ook opwww.nvpmt.eu/clienten/bewegingintrauma

*** Plattetekst

*** Plattetekst

**** Tussenkop [Koptekst 3]

*** Tekst en beeld

*** Tekst en beeld

*** Tekst en beeld

**** Tussenkop [Koptekst 3]

*** Plattetekst