interviews

Graag geven wij u een kijkje in de keuken van GGz Centraal op het gebied van wetenschappelijk onderzoek.

Door middel van interviews vertellen onderzoekers en zorgverleners over zaken waar zij onderzoeksmatig mee bezig zijn of zijn geweest en geven ze tips en inspiratie aan jonge onderzoekers.

Klik op een van de onderstaande links om het gewenste interview te lezen:

terugdringen van nachtmerries

Nachtmerries kennen we allemaal wel en we weten dat je hier flink last van kan hebben. Annette van Schagen onderzoekt of het aantal nachtmerries en de intensiteit ervan bij patiënten met psychiatrische problematiek terug te dringen is door middel van Imagery Rehearsal Therapy (IRT). Hieronder vertelt ze over haar onderzoek en inspireert andere onderzoekers met tips.

Waar gaat je onderzoek over?
Ik ben bezig met een promotieonderzoek naar de prevalentie en de behandeling van nachtmerries in de tweedelijns GGZ. Het doel van mijn onderzoek is te bepalen of ‘imagery rehearsal therapy’ (IRT) een geschikte behandeling is om het aantal nachtmerries en de intensiteit van de nachtmerries terug te dringen bij patiënten met psychiatrische problematiek.

Ik heb bij een groep van 89 patiënten van GGz Centraal gekeken naar het effect van het toevoegen van IRT bij terugkerende nachtmerries aan de al lopende behandeling in vergelijking met alleen de lopende behandeling. Dit werd nog niet eerder onderzocht bij een algemene psychiatrische populatie, terwijl duidelijk is dat er een samenhang is tussen nachtmerries en de ernst van de psychiatrische problematiek. Het terugdringen van de frequentie van de nachtmerries en de last die iemand hiervan heeft is dus van belang. Patiënten die per toeval aan de IRT-groep werden toegewezen werkten in zes individuele sessies aan het veranderen van het script van de terugkerende nachtmerries. Vervolgens beeldden de patiënten een paar keer per dag zich de nieuwe droom met een beter einde in.

Uit mijn onderzoek is gebleken dat bij patiënten in de IRT-groep het aantal nachtmerries en vooral de last die de patiënten ervan hadden, meer afnam dan in de wachtlijstgroep. Daarnaast nam ook het aantal PTSS klachten af.

Waarom heb je voor dit onderzoek gekozen?
Ik herinner me van mijn kindertijd dat ik ook wel eens nachtmerries had. Deze verdwenen gelukkig vanzelf, maar toen ik tijdens mijn GZ opleiding een patiënte in behandeling had met nachtmerries werd mijn interesse hiervoor weer aangewakkerd. Het inspireerde me om hier meer over te willen wete

Wat zijn tips als je op een onderwerp wilt promoveren?
Mijn belangrijkste tip: Kies een onderwerp dat je daadwerkelijk interesseert. Promoveren is een lang proces waarin je een hoop tegenslagen en moeilijke momenten kan tegenkomen. Hier kun je gemakkelijker mee om gaan als je enthousiast bent over het onderwerp. Daarnaast is mijn ervaring dat het fijn is als je aansluit bij een vraag die speelt in de praktijk. Dit zorgt voor meer plezier voor jezelf en maakt het makkelijker om behandelaren bij het proces te betrekken.

Wat is er zo leuk aan onderzoek doen?
Wat mij boven alles inspireerde om onderzoek te gaan doen was de wens om te weten hoe het zit. Ik wil dingen begrijpen. Daarnaast vind ik de rol die je als onderzoeker hebt een hele leuke. De patiënt is in dit geval de expert en als onderzoeker heb je de expertise van de patiënt nodig. Dit is in een behandelrelatie vaak andersom

Wat draagt jouw onderzoek bij aan de zorg?
Er is tot nu toe weinig aandacht geweest voor nachtmerries terwijl we ons allemaal kunnen voorstellen dat het een negatieve invloed kan hebben op het functioneren, zeker bij mensen die al psychische problemen hebben. Door mijn onderzoek wordt duidelijk of IRT nu wel of niet effectief is in de tweedelijns GGZ.

Heb je tips voor toekomstige onderzoekers binnen GGz Centraal?
Zeker! Hier komen ze:

  • Wees je bewust van de haalbaarheid van je onderzoek
  • Ga er altijd vanuit dat het langer duurt dan gepland
  • Sluit aan bij een vraag uit de praktijk
  • Realiseer je dat onderzoek veel van behandelaren en patiënten vraagt. Wees beschikbaar en aanspreekbaar voor ze. Creeer goodwill door zoveel mogelijk zelf te doen
  • Denk goed na bij het opzetten van je database en vraag hierover advies
  • Houd vol!

Welke voor- en nadelen vind je dat onderzoek heeft voor de GGZ instelling?
Ik focus in mijn onderzoek op de tweedelijns GGZ. Dit betekent dat de resultaten ook alleen voor die populatie toepasbaar zijn. Dit is een beperking, maar anderzijds is het een voordeel. Doordat dit de populatie is waar we dagelijks mee te maken hebben is er sprake is van een grote ecologische validiteit.

Hoe zijn binnen GGz Centraal de reacties van collega’s op je onderzoek? 
Collega’s zijn enthousiast en nieuwsgierig naar de resultaten. Het lijkt in een behoefte te voorzien en dat is als onderzoeker erg fijn om te merken!

Hoe is de samenwerking met collega’s en promotoren?
Prima. Mijn co-promotoren zijn beiden gepromoveerd op nachtmerries en nog steeds betrokken bij slaap- en droomonderzoek. Het helpt om met mensen samen te werken die betrokken zijn bij het onderwerp. Maar ook de samenwerking met collega-onderzoekers en onderzoeksassistenten is prettig. Het inspireert mij en zorgt ervoor dat ik doorzet.

Het onderzoek van Annette van Schagen is meerdere malen in de prijzen gevallen. Op het Voorjaarscongres van de NVvP won Annette de posterprijs en ook op het jaarcongres voor klinisch psychologen en klinisch neuropsychologen kwam de poster als beste uit de bus. Sinds april 2014 is Annette niet meer werkzaam bij GGz Centraal, maar bij Stichting Centrum ’45 te Oegstgeest.

beweging in trauma

In het onderzoek ‘Beweging in Trauma’ staat de vraag van psychomotorisch therapeuten binnen de gespecialiseerde psychotraumacentra centraal. Deze vraag gaat over de effectiviteit van psychomotorische therapie (PMT) in de eerste ‘stabilisatie’ fase van de behandeling van complex (meervoudig en langdurig) trauma.

Binnen het onderzoek wordt een nieuwe PMT-module onderzocht. In het onderzoek wordt de effectiviteit van de toevoeging van deze module vergeleken met het reguliere behandelaanbod voor cliënten met complex trauma. Het onderzoek loopt tot en met juni 2016 en wordt uitgevoerd door onderzoekers van het lectoraat ‘Bewegen, gezondheid en welzijn’ van Hogeschool Windesheim. Andere partners in het onderzoek zijn: Stichting Centrum ’45, Equator Foundation, GGz Altrecht, GGz Drenthe en PsyQ Den Haag. Daarnaast is er een expertgroep betrokken met deskundigen werkzaam bij Universiteit Utrecht, VU Amsterdam en Hogeschool Zuyd.

Transit GGz Centraal is het eerste centrum waar gewerkt is aan de hand van de voor dit onderzoek ontwikkelde psychomotorische module. Marieke Hoven, sinds 2004 psychomotorisch therapeut (sinds 2009 op masterniveau en recent gecertificeerd voor level 3 Sensorimotor Psychotherapy) heeft de module samen met beeldend therapeut (en teamleider vaktherapie) Marleen Muthert tussen april en juli aangeboden. Vanwege deze primeur en het nog lopende onderzoek naar de module, is Marieke Hoven door Krista van Berkel, werkzaam bij Windesheim, geïnterviewd over psychomotorische therapie bij complex trauma en over haar ervaringen met de module.

Je bent lid van de werkveldgroep trauma van de NVPMT, wat houdt dat in?
De werkveldgroep is zoals de naam wel zegt, een groep psychomotorisch therapeuten die allen met de doelgroep (complex) trauma werken. Het is heel inspirerend om met andere psychomotorisch therapeuten over de problematieken na te denken en ervaringen en kennis uit te wisselen. Het is onderling heel herkenbaar, maar toch ook weer verrassend anders vanwege soms grote verschillen binnen de doelgroep; vroegkinderlijk trauma, veteranen of vluchtelingen.
De werkveldgroep bestaat uit actieve leden, maar er is ook een belangstellende groep die via de actieve leden op de hoogte gehouden wordt van ontwikkelingen en werkzaamheden. In deze werkveldgroep is ook de vraag om onderzoek naar psychomotorische therapie in de stabilisatiefase van complex trauma ontstaan.
Een aantal leden uit deze werkveldgroep, aangevuld met enkele andere experts op het gebied van complex trauma, hebben de module ontwikkeld voor het onderzoek ‘Beweging in trauma’. De ideeën en uitwerking van de module werd regelmatig getoetst in de werkveldgroep.

Je hebt nu ruim 10 jaar werkervaring bij Transit GGz Centraal, is er in die tijd wat veranderd?
Transit GGz Centraal is steeds meer gaan specialiseren op trauma. Het is een Top Referent Traumacentrum aangesloten bij het samenwerkingsverband TRTC’s in Nederland. Cliënten die hier in behandeling komen, zijn veelal voor hun achtste levensjaar geconfronteerd met mishandeling, misbruik en/of verwaarlozing.
Als therapeut merk je dat de zwaarte van de problematiek in de derde lijn is toegenomen. Het aantal cliënten dat zich aanmeldt met een dissociatieve stoornis is toegenomen en we zien ook meer comorbiditeit. Dit heeft ook te maken met het feit dat tegenwoordig de lichtere problematiek meer in de eerste lijn, bij de huisarts, wordt behandeld.

Wat is de rol van de psychomotorisch therapeut bij de behandeling van complex trauma?
Het beroepsprofiel (2009) definieert psychomotorische therapie als een behandelvorm waarbij op methodische wijze gebruik wordt gemaakt van interventies gericht op de lichaamsbeleving en het bewegingsgedrag. Bij cliënten met complex trauma is het lijf altijd aangedaan; door vroegkinderlijk trauma kan de ontwikkeling in de groei geschonden zijn, maar ook manifesteren traumatische herinneringen zich in het lijf. In elk geval is de lichamelijke integriteit geschonden en dat maakt dat psychomotorische therapie voor deze doelgroep zeer geschikt kan zijn.
In de stabilisatiefase wordt veel stilgestaan bij lichaamssignalen. De cliënt probeert te verkennen welke signalen in het lichaam op te merken zijn, zoals hartslag, lichaams-temperatuur en spierspanning. Door deze lichaamssignalen te kunnen herkennen, worden cliënten minder overspoeld door bijvoorbeeld emoties en spanning die bij een herbeleving of bij opeens dissociëren horen. Ze voelen het eerder aankomen. Ook is het goed om de lichaamssignalen te leren onderscheiden in wat bij de gevolgen van het trauma hoort en wat gewone of prettige lichaamssignalen zijn.
Bij de psychomotorische therapie wordt geprobeerd om tijdens lichaams- of bewegingsgerichte activiteiten lichaamssignalen aan te voelen en te voorkomen dat de spanning verder oploopt. De cliënt leert vaardigheden om in het hier en nu te blijven. Deze vaardigheden zijn voor iedereen anders en in de therapie wordt geoefend wat werkt; voor de één is dit zintuiglijke waarneming, voor de ander is het rust of juist iets actiefs doen. Daarnaast kan er ontspanning en plezier ontstaan door met elkaar in de groep te bewegen. Ook kan er geoefend worden om zich weer vrij van angst te bewegen, grenzen te leren kennen en de interactie met elkaar aan te gaan. De cliënten leren door deze therapie onder andere hun emoties en spanning beter te reguleren waardoor de symptomen van complex trauma stabiliseren.

Wat is het voordeel van het werken met de psychomotorische module?
De module is bij uitstek geschikt voor de stabilisatiefase omdat er veel wordt stilgestaan bij de symptomen van complex trauma en daarmee geoefend wordt. Ik heb zelf gemerkt dat de psychomotorische module niet heel veel anders is dan wat ik al gewend was om te doen. Maar het is natuurlijk belangrijk dat de basis van de therapie bij deze doelgroep goed is opgeschreven, met mogelijkheden tot verder uitbouwen of aanpassen aan de groep die je voor je hebt. Daardoor is het een heel overzichtelijk kader geworden waarmee ook de minder ervaren psychomotorisch therapeuten goed kunnen werken. En het is een mooi ‘kijkje in de keuken’ voor degenen die minder bekend zijn met psychomotorische therapie of het werken met complex trauma.

Wat zijn de reacties van de cliënten die de PMT-module bij jou hebben gevolgd?
De cliënten waren allen zeer positief over de module. Elke cliënt had een aantal eigen doelen om aan te werken tijdens de module, zoals “bewustwording mate arousal”, “minder pieken en dalen/stabieler houden” en “grenzen voelen en aangeven”. Op deze doelen hebben ze vooruitgang geboekt. Ze noemden vooral beter bij zichzelf te merken wat er gebeurt en zo beter op de complexe PTSS symptomen te kunnen ingrijpen of er naar handelen.
De psycho-educatie in combinatie met “het in beweging komen” werden als belangrijke elementen van de module genoemd, naast “de houding van de therapeut (het is oké)” en de herkenning bij groepsgenoten. Opvallend was dat verschillende cliënten naast een aantal dezelfde, ook verschillende elementen uit de module noemden die belangrijk zijn geweest. Dit sterkt in de gedachte dat er binnen de module een goede balans is in de thema’s en werkvormen waardoor het voor ieder een toegevoegde waarde heeft gehad.

Tot slot, waarom is onderzoek naar psychomotorische therapie en complex trauma nodig?
Psychomotorische therapie is niet nieuw in de psychiatrie, er is echter nog niet veel onderzoek gedaan naar waarom het werkt en voor welke subgroepen en bij welke verschillende fasen binnen complex trauma. De verantwoording van deze therapie is nu nog teveel op ervaring gebaseerd.
Het is voor het vak én de cliënt belangrijk om psychomotorische therapie, ook voor degenen die er minder bekend mee zijn, als essentieel onderdeel te zien voor de behandeling van complex trauma.

Voor meer informatie over het onderzoek ‘Beweging in trauma’ kan contact opgenomen worden met Mia Scheffers:bewegingintrauma@windesheim.nl. Kijk ook opwww.nvpmt.eu/clienten/bewegingintrauma

nieuwe behandeloptie bij paniekstoornissen

Mieke Klein Hofmeijer-Sevink werkt sinds 2006 bij GGz Centraal en specialiseerde zich op locatie Veldwijk tot psychiater. Momenteel is zij werkzaam op de poli voor stemmings- en angststoornissen bij Symforameander in Amersfoort. Daarnaast coördineert zij het co-schap psychiatrie voor GGz Centraal.

Op 5 februari promoveerde Mieke op het onderwerp complexe angststoornissen. Tijdens haar promotietraject voerde zij verschillende veelbelovende studies uit: 3 studies naar comorbiditeit als risicofactor, 1 studie naar een onderliggend psychologisch mechanisme en 1 studie naar een nieuwe behandeloptie waarbij therapie gecombineerd wordt met het medicijn d-cycloserine (DCS). Wij waren nieuwsgierig naar deze nieuwe behandeloptie en stelden Mieke hierover een aantal vragen. Ook vertelde ze ons over haar ervaringen met promoveren.

Wat houdt de nieuwe behandeloptie precies in?
Een combinatie van exposure-therapie en het medicijn DCS. Voorheen werd DCS gebruikt als antibioticum, maar er bestaat een theorie dat het medicijn mogelijk ook als “geheugenpil” kan werken. Het idee is dat exposure-therapie beter beklijft. Bij dieren bleek dit inderdaad het geval te zijn. Ik heb gekeken of dit mogelijk ook werkt bij patiënten met een paniekstoornis.

Waarom heb je voor deze studie gekozen?
In eerste instantie omdat ik het leuk vind om met patiënten te werken, wat bij deze studie veelvuldig nodig was. Daarnaast vond ik de combinatie van therapie en medicatie erg boeiend en ook passend bij deze tijd. We kijken steeds meer naar wat goed zou kunnen werken voor het individu, in plaats van dat we één algemene therapie inzetten. Met dit onderzoek hoop ik de mogelijkheden aan therapie verder uit te breiden, zodat de kans steeds groter wordt dat de patiënt een therapie krijgt aangeboden die bij hem of haar past.

Is er eerder onderzoek gedaan naar dit onderwerp?
Er is wereldwijd twee keer eerder een vergelijkbaar onderzoek gedaan naar DCS bij patiënten met een paniekstoornis. Maar dit is de eerste keer dat het onderzoek bij Nederlandse patiënten wordt uitgevoerd.

Op welke locaties van GGz Centraal vond je onderzoek plaats?
In Harderwijk op de poli van het Marina de Wolf Centrum en in Barneveld op de poli voor stemming en angststoornissen. Buiten GGz Centraal deden ook Altrecht en GGZ inGeest mee.

Hoe heb je dit onderwerp onderzocht?
60 patiënten met een paniekstoornis kregen 12 exposuretherapie-sessies die wekelijks plaatsvonden. De eerste 6 sessies werden gecombineerd met DCS. De patiënten werden in 3 groepen verdeeld: patiënten die een half uur voor de sessie DCS innamen en na de sessie placebo, patiënten die direct na afloop van de sessie DCS innamen en een half uur voor de sessie placebo en patiënten die zowel voor als na de sessie placebo’s kregen. Voor, tijdens en na de 12 weken vonden er meetmomenten plaats en werd de deelnemers gevraagd zelfinvulvragenlijsten in te vullen.

Wat zijn de resultaten?
Er werd geen verschil gevonden in effect van de therapie tussen patiënten die DCS of placebo kregen. Het kan zijn dat DCS inderdaad niet de juiste werking heeft bij paniekstoornissen, maar het is ook mogelijk dat we toch een te kleine groep patiënten hebben onderzocht. In ieder geval zijn de resultaten nog onvoldoende om er al gebruik van te maken in de praktijk. Mogelijk worden er wel positieve resultaten gevonden wanneer de dosering, timing en frequentie van DCS worden aangepast. Dus genoeg aanleiding voor verder onderzoek!

Welke voor- en nadelen heeft je studie gehad voor de deelnemers?
Met name het feit dat deelnemers vlot aan de behandeling konden beginnen en ze een  evidence based therapie ontvingen welke werd gegeven door goede, extra geschoolde therapeuten zie ik als grote voordelen. Een nadeel blijft natuurlijk dat je als deelnemer niet weet of je het echte medicijn of een placebo krijgt toegediend en je nog niet weet of het wel of niet werkt.

Wat denk je dat jouw studie bijdraagt aan de zorg?
Ik denk en hoop dat de studie eraan bij draagt dat er in de toekomst nog meer gekeken zal worden naar de individuele behoeftes op het gebied van therapie. Ook hoop ik dat het onderzoek mogelijkheden biedt voor het behandelen van meer complexe, chronische stoornissen. En het zou kunnen dat therapieën in de toekomst verkort kunnen worden wanneer DCS wordt ingezet.

Wat zijn de reacties van collega’s op je studie?
Ik heb veel goede reacties gekregen, vooral ook van verwijzers. De studie werkte voor zowel de deelnemers als de therapeuten als een stok achter de deur om het protocol goed te volgen en niet vroegtijdig met de therapie te stoppen.

Hoe is de samenwerking met collega’s en promotoren verlopen?
Goed! Het was een leuk team met therapeuten, wat de samenwerking erg prettig maakte. Ook over het contact met mijn promotoren (Marcel van den Hout en Ton van Balkom) en mijn co promotoren (Danielle Cath en Harold van Megen) ben ik zeer tevreden. Een goede ervaring.

Wat maakt het doen van onderzoek voor jou zo leuk?
Ik vind het ontzettend leuk om mij te verdiepen in een onderwerp en de vraagstukken die ik daarbij tegenkom uit te zoeken. Daarnaast spreekt de afwisseling qua werkzaamheden mij erg aan: poli, onderwijs en onderzoek. Ook heb ik graag een aandeel in het verbeteren van de richtlijnen voor behandelingen.

Wat is jouw advies als je op een onderwerp wilt promoveren?
Er wordt vaak geadviseerd om te beginnen aan een promotie op een onderwerp waar ’je hart ligt’. Dat is natuurlijk een heel mooi uitgangspunt, maar soms is het ook juist leuk om ergens blanco in te stappen en te kijken of het mogelijk bevalt. Zo heb ik het ook aangepakt. Ik heb in eerste instantie een artikel geschreven over stotteren en merkte dat zowel het onderwerp, als het schrijven en onderzoeken mij boeide. Vanuit hier ben ik toen verder gegaan met promotieonderzoek op het gebied van angst.

Heb je verder ook nog tips voor toekomstige onderzoekers binnen GGz Centraal?
Kies je eigen route. Voor mij werkte het bijvoorbeeld goed om mijn onderzoekswerk te blijven combineren met het werken op de poli. Hierdoor nam het onderzoek wel meer jaren in beslag, maar de afwisseling hield me scherp en maakte ook dat ik niet te ver weg raakte van de praktijk.

Ben je ondertussen benieuwd geworden naar het volledige proefschrift? Dan kun je deze opzoeken in de bibliotheek bij Zon & Schild onder de naam: Complex anxiety disorders. Risk factors, underlying mechanisms and treatment enhancement. Ook hebben we bij Innova een exemplaar liggen die je altijd in mag zien! Voor verdere vragen kun je per e-mail contact opnemen met Mieke: m.klein2@ggzcentraal.nl 

bewegingsstoornissen preventief aanpakken

Op het terrein van een psychiatrisch ziekenhuis loopt een man gebogen, traag met een trillende hand. Wat heeft hij? Dit is een van de bewegingsstoornissen die veroorzaakt worden door antipsychotica.

Rob Doornebal-Bakker is aan de universiteit van Maastricht gepromoveerd op het onderwerp ‘Drug-induced movement disorders in long-stay psychiatric patients – Genetic and non-genetic risk factors: A prospective study’.

Hieronder willen wij graag een kijkje geven in het onderzoek bij GGz Centraal dat geleid heeft tot deze promotie.

Waar gaat je onderzoek over?
Langdurig opgenomen patiënten met een chronische psychiatrische aandoening, die daarom chronisch blootgesteld worden aan antipsychotische medicatie, vormen een groep met een hoog risico op bewegingsstoornissen. Dit geldt in het bijzonder voor patiënten in langdurig verblijf waar medicatie onder toezicht wordt gegeven.
Het doel van mijn proefschrift (titel zie hierboven) was het analyseren van de frequentie van bewegingsstoornissen door medicatie en hun genetische en niet-genetische risicofactoren. De doelgroep was langdurig opgenomen patiënten met een chronische psychiatrische aandoening en langdurige behandeling met antipsychotica.

Bewegingsstoornissen zijn in te delen in

  • dyskinesieën (onwillekeurige, vloeiende en doelloze bewegingen van het gelaat, ledematen, romp of ademhalingsspieren),·
  • dystonieën (abnormale houdingen of trekkingen van het hoofd, hals, ledematen of romp),
  • parkinsonisme en
  • akathisie (subjectieve klachten over rusteloosheid die samengaan met objectiveerbare bewegingen, meestal van de benen).

Sommige bewegingsstoornissen kunnen irreversibel worden.
Het onderzoek bestond uit een follow-up studie en een genetische studie. Tweehonderd patiënten op Zon & Schild deden mee aan dit onderzoek. Naast metingen met gevalideerde schalen is bij de patiënten bloed afgenomen voor DNA. Al deze gegevens zijn verzameld na informed consent.
Mijn proefschrift toont aan dat bij deze patiëntengroep bewegingsstoornissen veel voorkomen en dat preventie daarom van groot belang is. De hoop dat de nieuwe antipsychotica deze vreselijke bijwerkingen zouden doen verdwijnen blijkt een illusie. Oudere leeftijd en hogere antipsychicumdosis zijn risicofactoren voor bepaalde bewegingsstoornissen. Meta-analyses suggereren multipele genetische invloeden. Ook in aanvullend onderzoek werden zwakke genetische signalen gevonden, die vragen om grotere steekproeven in langlopende studies, waarin het variërende verloop van bewegingsstoornissen en gen-omgeving-interacties meegenomen wordt.

Waarom heb je voor dit onderzoek gekozen?
Genetica heb ik altijd al een interessant onderwerp gevonden. Tijdens mijn co-schappen heb ik onderzoek gedaan naar genetica binnen de vakgroep Celbiologie/Immunologie van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Toen ik in 2003 met prof. dr. Peter van Harten sprak over onderzoeksmogelijkheden binnen de opleiding tot psychiater, vertelde hij mij over dit onderzoek dat nog uitgewerkt moest worden. Ik was meteen enthousiast en begon met een onderzoek dat inmiddels is uitgegroeid tot dit promotieonderzoek, met prof. dr. Peter van Harten en prof. dr. Jim van Os als promotores.

Wat zijn tips als je op een onderwerp wilt promoveren?
Ik raad beginnende onderzoekers aan om cursussen te volgen in onderzoeksmethodologie, epidemiologie en statistiek. Verder is het belangrijk om goede begeleiders cq. (co)promotores te vinden. Een handig boek over (promotie)onderzoek is Promoveren; een wegwijzer voor de beginnend wetenschapper van Herman T. Lelieveldt.

Wat is er zo leuk aan om onderzoek te doen?
Door het doen van onderzoek ga je anders tegen onderwerpen aankijken, wat je perspectief vergroot. Verder vind ik het ook leuk en leerzaam om cursussen te volgen die nodig zijn voor mijn onderzoek. Uiteindelijk besloot ik om de ‘master of science’ in genetische epidemiologie te doen, die ik vorig jaar heb afgerond. Het moge duidelijk zijn: onderzoek heeft mij te pakken.

Wat denk je dat jouw onderzoek bijdraagt aan de zorg?
Ik hoop dat mijn onderzoek een bijdrage kan leveren aan preventie van bewegingsstoornissen. Daarnaast geeft onderzoek extra kennis bij de onderzoeker, hetgeen ook weer ten goede komt aan de zorg. Je ontwikkelt als onderzoeker een kritische blik en je leert onderscheiden wat nuttige informatie is voor de zorg.

Heb je tips voor toekomstige onderzoekers binnen GGz Centraal?
Maak actie van je ambitie om onderzoek te gaan doen. Dit klinkt als een open deur maar de praktijk leert dat mensen de stap niet altijd (durven) nemen. Het is goed om te weten dat wij binnen GGz Centraal een Wetenschappelijk Onderzoekscommissie hebben met op elke locatie een commissielid dat je laagdrempelig kunt benaderen met vragen.

Welke voor- en nadelen vind je dat je onderzoek heeft voor de GGz-instelling?
Ik zie alleen voordelen, omdat onderzoek en patiëntenzorg voor kruisbestuiving zorgt. Om het modern uit te drukken: het levert synergie op.

Wat zijn, binnen de eigen instelling, de reacties van collega’s op je onderzoek?
Collega’s zijn over het algemeen enthousiast en nieuwsgierig naar mijn onderzoek, maar sommigen zeggen ook eerlijk dat zij er niet aan moeten denken om onderzoek te doen, vanwege het vele werk en de statistiek.

Hoe is de samenwerking met collega’s/promotoren?
Ik ben erg blij met mijn promotoren. Zij zijn erg goed in hun vak en zijn didactisch heel goed onderlegd. Op een subtiele wijze weten zij mij altijd in de goede richting bij te sturen.

Dankwoord
Ik wil de patiënten van Zon & Schild, de assistenten van de wetenschappelijke onderzoekscommissie (WOC), Saltro laboratorium, de apotheek van Zon & Schild en de verpleegkundigen bedanken voor hun bijdrage aan dit onderzoek. Ook wil ik de Open Ankh en Innova bedanken voor de financiering van dit onderzoek.

Het promotieonderzoek
Wil je meer weten over het promotieonderzoek van Rob? Klik hier

Je kwaliteit van leven staat of valt met het kennen van je eigen bijsluiter.

Mensen met een autismespectrumstoornis ervaren doorlopend stress. Omdat ze geen grip krijgen op prikkels in hun dagelijks leven. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds ontwikkelt Yvette Roke, psychiater bij GGz Centraal, een lerende app die mensen met autisme op maat voorziet van signalen, tips en handvatten.

“Stel je eens voor dat je plotseling in China staat en je daar moet zien te redden. Zo ontredderd voelt iemand met autisme zich elke dag. Ik ben al ruim tien jaar psychiater van mensen met een autismespectrumstoornis. Voor mensen met autisme is het enorm moeilijk om te vertellen wat er in het dagelijks leven allemaal op ze afkomt en waardoor ze zich slecht voelen. Maar de stress ervaren ze wel. Vaak zodanig dat ze in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Ze slapen slecht, vallen uit op hun werk en relaties lopen stuk. Om meer grip te krijgen op het dagelijks leven zijn we gaan werken met de app PsyMate. Die meet op een aantal willekeurige momenten gedurende de dag hoe het met iemand gaat. De gebruiker beantwoordt een paar vragen en na verloop van tijd is een patroon te herkennen.”

“Mijn cliënten zijn enthousiast, maar signaleren ook tekortkomingen in de PsyMate. Het taalgebruik is bijvoorbeeld niet autismevriendelijk. En misschien nog belangrijker: de app geeft geen tips of handvatten op het moment dat het niet goed met ze gaat. Terwijl ze daar juist behoefte aan hebben. Allerlei suggesties ter verbetering kreeg ik in de spreekkamer. Zo kwam ik op de ‘lerende’ app: een app die een cliënt leert kennen omdat hij regelmatig iets invoert. En op basis daarvan adviezen aan de cliënt kan doorgeven als het niet goed gaat. Dat doet de app op maat.

“Met de subsidie van het Zorgondersteuningsfonds ga ik met een groep cliënten een prototype van zo’n lerende app voor mensen met een autismespectrumstoornis ontwikkelen. De technische kant verzorgt TNO. Zij hebben ervaring met soortgelijke applicaties voor andere doelgroepen. Ons doel is natuurlijk dat cliënten met een autismespectrumstoornis met de app minder stress gaan ervaren. Omdat ze tijdig een signaal krijgen dat het niet goed gaat, mét tips hoe ermee om te gaan. Het doel is dat ze controle krijgen over hun leven en de kwaliteit van hun leven daardoor verbetert. In het algemeen geldt dat je kwaliteit van leven staat of valt met het snappen van je eigen bijsluiter. Sommige mensen, zoals mensen met autisme, zijn daar niet goed in. Dan is het ontzettend fijn als een app ze daarbij helpt.”