columns

Onze onderzoekers schrijven prikkelende columns die ingaan op actuele wetenschappelijke onderwerpen. Laat u inspireren!

We staan aan de vooravond van een nieuw tijdperk… Is contact met een echt mens noodzakelijk voor diagnostiek en behandeling van psychiatrische klachten?

Een 3D geprojecteerde ‘hulpverlener’ zit bij mij aan tafel. Ze start het gesprek met hoe ik me voel, en noteert alle klachten die ik vertel, hoe lang ze bestaan, wat de invloed is op mijn dagelijks functioneren en wat ik eraan gedaan heb. Ze spreekt zakelijk maar voelt betrokken. Vooral toen ‘ze’ zei, ‘ik merk dat u wat geëmotioneerd raakt, wilt u verder gaan of het even onderbreken?’. Na korte tijd merk ik eigenlijk geen groot verschil tussen een mens en deze 3D voorgeprogrammeerde ‘hulpverlener’. Ik vind het zelfs wel plezierig. Zal dit werkelijkheid zijn als de technologische singulariteit (kunstmatige intelligentie die op alle domeinen het niveau van de mens heeft) bereikt is? Is contact met een echt mens noodzakelijk voor diagnostiek en behandeling van psychiatrische klachten?

Dat kunstmatige intelligentie de wereld in hoog tempo zal veranderen is onvermijdelijk. Grote veranderingen zijn al zichtbaar door ‘beperkte kunstmatige intelligentie’. Dat is intelligentie die zich beperkt tot één deelgebied. Denk aan GPS-navigatie, statistiek programma’s, en op uw profiel toegesneden koopadviezen van internetwinkels. En wie van u screent regelmatig zijn gewicht, bloeddruk, slaappatroon en activiteit met slimme smartphone gestuurde weegschalen, bloeddrukmeters, en apps? In de zeer nabije toekomst wordt veel routinewerk overgenomen door robots, in de financiële wereld is Blockchain (zoekt u maar op) een veelbesproken onderwerp.

Ook in de psychiatrie dringt de kunstmatige intelligentie door. We hebben al jaren e-health en de Virtual Reality bril die het arbeidsintensieve exposure in vivo (onderdeel gedragstherapie) kan vervangen en zelfs al bij psychotische stoornissen wordt ingezet. Ook diagnostisch zijn de mogelijkheden enorm. In GGz Centraal zijn verschillende instrumentele meetinstrumenten uitgetest en ook ontwikkeld. Voor bewegingsstoornissen zijn er meetapparaten voor dyskinesie, bradykinesie en tremor. Er is een app voor cognitieve testen en er zijn verschillende draagbare devices die langdurig kunnen meten en daarmee het probleem dat veel metingen een momentopname zijn ondervangen. We hebben een draagbare ‘actimeter’ die in het lifestyle onderzoek bij langdurige zorg patiënten continu de activiteit meet. En met de Experience Sampling Methode – waarbij dagenlang meerdere malen per dag een app een signaal geeft voor een korte vragenlijst – wordt onderzoek gedaan bij patiënten met autisme. Dit is een begin van een golf aan instrumenten die eraan komt.

Wat zal er gebeuren na het bereiken van de singulariteit en wat als er kunstmatige superintelligentie ontstaat die duizenden malen slimmer is dan de intelligentste mens? Dat is nauwelijks te voorspellen, net zo min als in de jaren negentig de topdeskundigen de mogelijkheden van internet voorspelden. Besef dat u momenteel veel meer weet van internet dan elke topdeskundige in 1990. Datzelfde geldt voor de topdeskundigen van de kunstmatige intelligentie nu. Sommigen voorspellen enorme vooruitgang en anderen rampverhalen. Het lijkt waarschijnlijk dat in de komende decades alle productieve en effectieve taken – en dat zijn er heel veel(!), bijv. administratie, planning, autorijden, reizen, vertalen etc. – worden overgenomen door robots en dat niet productieve en ineffectieve taken zoals creativiteit, kunst, menselijke relaties, wetenschap, en innovatie door mensen gedaan wordt.

We staan aan de vooravond van een nieuw tijdperk.

door Prof. dr. Peter N. van Harten, hoofd wetenschappelijk onderzoek

GGz Centraal Innova – juni 2017

Een column moeten we gaan schrijven over wetenschappelijk onderzoek, een column…hoe doe je dat?

Maandagmiddag 12.30 uur, vergadering van de wetenschappelijke onderzoekscommissie van GGz Centraal. De coördinatoren van de onderzoekslijnen staren Peter van Harten, hoofd wetenschappelijk onderzoek, met wijd opengesperde ogen aan. Een column moeten we gaan schrijven over wetenschappelijk onderzoek, een column…hoe doe je dat?

Na een nachtje slapen lijkt het me eigenlijk wel een leuke uitdaging. Wetenschap is leuk: nieuwe dingen ontdekken en hypotheses toetsen en zo komen tot creatieve processen. Met als resultaat hopelijk nieuwe behandelmethodes. Er gaat geen dag voorbij of allerlei ideeën ploppen op in mijn hoofd over te onderzoeken interventies, de één realistischer dan de ander, en ze verdwijnen ook net zo hard weer tot een idee zich hardnekkig in mijn brein genesteld heeft en er echt iets mee moet.

Zo was er 10 jaar geleden het idee om prolactine in relatie tot antipsychotica gebruik te gaan onderzoeken. Toen werd ik nog niet gehinderd door de realiteit van onderzoek doen en ging ik enthousiast aan de slag. Nu weet ik wat me te wachten staat. Het is best wel lastig om je onderzoek medisch ethisch goedgekeurd te krijgen, fondsen te werven, de spil te zijn tussen verschillende ziekenhuizen en dan je resultaten te analyseren en ze ook nog wetenschappelijk verantwoord op te schrijven.

Na 7 jaar part-time promotie onderzoek, en na mijn verdediging tijdens de promotie (en tussendoor ook nog 3 kinderen op de wereld te hebben gezet), geeft niets zo’n grote voldoening als je onderzoek terug te zien in landelijke richtlijnen en beleidsveranderingen in het voorschrijven. Nu 2 jaar verder merk ik dat ik toch weer iets wil met wetenschap.

Ik kan me gewoonweg niet neerleggen bij het gebrek aan echte behandelmogelijkheden voor mijn autistische doelgroep. Dat vormt voor mij de drijfveer. Bij deze groep draait alles om te veel stress en te weinig slaap. Nu heb je goede stress (de soort waardoor ik deze column schrijf) maar ook slechte stress (die van de niet te halen deadlines en de overvraging op alle levensgebieden). Als we nu wat zouden kunnen doen aan die slechte stress dan zouden mijn patiënten zoveel beter af zijn en zouden ze beter slapen ook.

Daarom ben ik nu weer begonnen aan een nieuw project en door mijn goede stress begint het weer te stromen en ja… ik zal zeker ook weer te maken krijgen met de slechte stress. Die niet aflatende deadlines en de zorgen rondom financiering en goedkeuring. Dit keer weet ik waaraan ik begin… Maar hoe mooi zal het niet zijn als we weer een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van leven van een grote groep mensen die het verdienen!

Yvette Roke,
psychiater Emerhese Flevoland en coördinator van de onderzoekslijn ontwikkelingsstoornissen.

Noortje Roussel deed van 2012 tot 2016 onderzoek in het kader van haar opleiding tot klinisch psycholoog – psychotherapeut.

Zij onderzocht de mate waarin klinisch psychologen (in opleiding) seksualiteit bespreken met patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS). Deze problematiek wordt geassocieerd met seksueel risicovol gedrag, wat het belang van het adequaat bespreken van seksualiteit met deze patiëntengroep onderstreept.

Het bespreekbaar maken van seksuele problematiek blijkt voor veel hulpverleners lastig. Twee derde van de Nederlandse psychiatrische populatie ervaart seksuele problemen, waarvan 71% aangeeft dat hun huidige hulpverlener niet vraagt naar seksuele problematiek. Juist bij patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) is het bespreekbaar maken van seksualiteit belangrijk, omdat BPS geassocieerd wordt met seksueel risicovol gedrag, zoals weinig condoomgebruik, zich prostitueren, ervaring met seksueel misbruik en ontwikkelen van SOA’s en seksuele stoornissen. Sekse en leeftijd zijn een barrière gebleken in het bespreken van seksualiteit met BPS-patiënten.

Het onderzoek focuste zich op de sekse en leeftijd van de klinisch psycholoog (in opleiding) (KP-er) en de BPS-patiënt om een match te creëren met als doel de seksuologische gespreksvoering te optimaliseren. Er werd voorspeld dat:

  • Minder dan de helft van de KP-ers seksualiteit bespreekt met hun BPS-patiënten
  • Seksualiteit meer besproken wordt als de KP-er en de BPS-patiënt van dezelfde sekse zijn
  • Seksualiteit meer besproken wordt wanneer de BPS-patiënt jonger is dan de KP-er
  • Seksualiteit meer besproken wordt wanneer de KP-er en de BPS-patiënt van dezelfde sekse zijn en de BPS-patiënt jonger is dan de KP-er

Deze vragen zijn onderzocht door 400 klinische psychologen twee situaties voor te leggen, bestaande uit klinische situaties gebaseerd op een situatie van een BPS-patiënt. De klinisch psychologen werd gevraagd in hoeverre hij of zij seksualiteit zou bespreken met de BPS-patiënt. Middels een demografische vragenlijst werden andere variabelen als seksuele oriëntatie, nationaliteit, levensbeschouwing, woonplek, werkervaring en wel of niet in opleiding uitgevraagd.

Uit de analyses bleek dat van de KP-ers seksualiteit zou bespreken met hun BPS-patiënten. KP-ers bespreken seksualiteit van BPS-patiënten meer wanneer de KP-er en de BPS-patiënt van hetzelfde geslacht zijn (ongeacht welk geslacht), wanneer de BPS-patiënt jonger is dan de KP-er, de KP-er niet-religieus (Protestants) is, de KP-er niet meer in opleiding is en wanneer de KP-er in een stad woont. Het is van belang persoonlijke kenmerken als sekse en leeftijd in acht te nemen om de seksuologische gespreksvoering te vergemakkelijken met BPS-patiënten, een patiëntengroep met een verhoogde seksuologische kwetsbaarheid. De implicatie voor de praktijk is dat KP-ers zich meer bewust moeten zijn van de barrières sekse en leeftijd in seksuologische gespreksvoering met BPS-patiënten en dat BPS-patiënten – indien praktisch haalbaar – ‘gematcht’ worden aan de KP-er.

Het is van belang seksualiteit bespreekbaar te maken met deze kwetsbare patiënten. Voor klinisch psychologen (in opleiding) (KP-er) blijkt dat sekse en leeftijd een barrière kunnen zijn in het bespreken van seksualiteit. Daarnaast blijkt dat het niet meer in opleiding zijn, religie en de woonplek van de KP-er een rol spellen in de mate waarin seksualiteit besproken wordt. De KP-er moet zich meer bewust zijn van de barrières in seksuologische gespreksvoering met BPS-patiënten.

Op 7 februari 2014 promoveerde Dr. T. Zandi aan de Universiteit van Amsterdam op haar proefschrift: ‘The role of cultural background in diagnosing psychotic disorders’.

In haar onderzoek richtte zij zich op het belang van culturele achtergrond bij de diagnose van psychotische stoornissen, en specifiek op de fouten bij het vaststellen van psychiatrische symptomen bij Marokkaanse immigranten in Nederland.

In de afgelopen decennia is bij verschillende onderzoeken onder immigranten een sterk verhoogde kans op psychotische stoornissen en schizofrenie geconstateerd. In Nederland werd dit onder andere gevonden bij Marokkaanse immigranten. Tekleh onderzocht of het hier om een daadwerkelijk verhoogd risico gaat of om onjuiste diagnostiek, waarbij onvoldoende rekening wordt gehouden met culturele verschillen in de presentatie van emotionele problemen. Zij vergeleek de incidentiecijfers van schizofrenie voor Marokkaanse en Nederlandse patiënten op basis van een standaard interview en een aangepaste versie met cultuurspecifieke instructies. Terwijl er bij gebruik van de cultureel-sensitieve vragenlijst geen significant verschil wordt gezien in de frequentie van schizofrenie onder autochtone en Marokkaanse Nederlanders, blijkt dat het standaard diagnostische interview bij immigranten een bron kan zijn van overmatige registratie van wanen en hallucinaties met een verhoogde kans op misdiagnose.

Daarnaast blijkt dat depressieve symptomen bij deze groep ondergediagnostiseerd worden. Tekleh toonde hiermee aan dat culturele verschillen in de presentatie van emotionele toestanden en psychiatrische symptomen de hoge incidentiecijfers van schizofrenie onder niet-westerse immigranten in Europa en onder Marokkanen in Nederland kan verklaren.

Dit onderzoek benadrukt het belang van voldoende aandacht voor en kennis van de emotionele uitingen en culturele achtergrond van patiënten, benodigd om geobserveerde symptomen correct te interpreteren en om een valide diagnose te kunnen stellen. Zo kan worden voorkomen dat patiënten een adequate behandeling mislopen.

Prof. dr. W. van den Brink (AMC) en Prof. dr. R. S. Kahn (UMC Utrecht) waren de promoteren. Co-promotor was Dr. J. M. Havenaar (Universiteit Utrecht).

> Proefschrift ‘‘The role of cultural background in diagnosing psychotic disorders’.

Tekleh publiceerde onder ander in het Tijdschrift voor Psychiatrie. Daarnaast werd haar onderzoek opgepakt door diverse media.

Op 4 september 2013 promoveerde Drs. Y. Roke aan Maastricht University (MU) op haar proefschriftt: ‘Antipsychotic-induced hyperprolactinemia in children and adolescents with mainly autism spectrum disorders: prevalence, symptoms, clinical consequences and genetic risk factors’.

Het onderzoek richtte zich op de werking van antipsychotica bij jongens, gemiddeld 14 jaar, met een autisme spectrumstoornis en/of gedragsstoornis. Bij de helft van de behandelde jongens bleek het zwangerschapshormoon (prolactine) te stijgen tijdens antipsychotica gebruik, wat ernstige gevolgen kan hebben.

Prolactine is het zwangerschapshormoon en wordt geproduceerd door een hormoonklier in de hersenen. De signaalstof dopamine remt de afgifte van het hormoon prolactine in de hersenen. Antipsychotica blokkeren echter de dopamine in de hersenen, waardoor de dopamineconcentraties verlagen en de rem op het hormoon prolactine wegvalt. Door het wegvallen van deze remming komt er teveel prolactine in de bloedbaan in het lichaam, met noemt dit hyperprolactinemie. Het teveel aan prolactine kan leiden tot borstvorming, tepelvloed, seksuele functiestoornissen, en verlaging van de geslachtshormonen (bijvoorbeeld testosteron). Als gevolg van de verlaging van de geslachtshormonen is het mogelijk dat de puberteit vertraagt en de botsterkte vermindert.

In haar promotieonderzoek deed Yvette een (cross-sectionele) studie bij 65 jongens. De jongens hadden een gemiddelde leeftijd van 14.5 jaar, een autisme spectrumstoornis, en gebruikte meer dan 16 maanden het antipsychoticum Risperidon. Deze groep werd vergeleken met een controlegroep, bestaande uit 47 gematchte jongens die geen antipsychotica gebruikte. De vergelijking laat zien dat bij 50% van de jongens die Risperidon gebruiken een antipsychotica geïnduceerde hyperprolactinemie optreedt. Van deze groep heeft 14% een seksuele functiestoornis. Daarnaast heeft deze groep een verlaagd testosteronniveau en verminderde botdichtheid van de wervelkolom, ten opzichte van de gematchte controlegroep. Het onderzoek van Yvette toont aan dat het belangrijk is om kinderen en jongeren die potentieel prolactine verhogende antipsychotica gaan gebruiken of reeds gebruiken goed te controleren op een stijging van prolactine. Als er sprake is van antipsychoticum geïnduceerde hyperprolactinemie dan moet deze behandeld worden door bijvoorbeeld het antipsychoticum te verminderen, stoppen of over te gaan op een antipsychoticum dat het hormoon prolactine niet verhoogt. Longitudinaal follow-up onderzoek is nodig om de huidige onderzoeksuitslagen te bevestigen of verwerpen.

Prof. dr. P. N. van Harten (GGz Centraal Innova en MU) en Prof. dr. J. K. Buitelaar (Radboud Universiteit Nijmegen), waren de promotoren, co-promoter was Dr. A. Boot (Universitair Medisch Centrum Groningen).

Yvette publiceerde in diverse wetenschappelijke artikelen, waaronder in het Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology en Hormone research in peadiatrics.

Annette van Schagen is klinisch psycholoog, psychotherapeut bij Stichting Centrum ’45.

Tot 2014 was zij voor haar promotie-onderzoek en als klinisch psycholoog verbonden aan GGz Centraal de Meregaard. Ze promoveert in 2016 aan de Universiteit Utrecht. Haar promotieonderzoek gaat over de prevalentie en behandeling van nachtmerries in de specialistische ggz.

Nachtmerries leiden vaak tot slaapproblemen welke een negatieve invloed hebben op het emotioneel en cognitief functioneren overdag. Er is weinig bekend over de prevalentie van nachtmerries in de specialistische ggz. Over een periode van anderhalf jaar werden alle patiënten die in zorg kwamen bij GGz Centraal de Meregaard gescreend op nachtmerries. Ongeveer 30% van de psychiatrische patiënten bleek vaak last te hebben van ernstige nachtmerries. Deze groep bleek ook ernstigere psychische symptomen te hebben en maladaptieve coping. De nachtmerries gingen het meest over fysiek of seksueel geweld, interpersoonlijke conflicten en situaties van machteloosheid of overmatige verantwoordelijkheid. De gangbare behandeling voor nachtmerries is IRT: Imagery Rehearsal Therapie. Hierbij verandert men het scenario van de herhalende nachtmerrie in een goede afloop en oefent dit nieuwe verhaal vervolgens meerdere keren overdag door het zich in te beelden. Annette toonde aan dat IRT een geschikte behandeling is om het aantal nachtmerries en de intensiteit van de nachtmerries terug te dringen bij patiënten met psychiatrische problematiek.

Een groep van 89 patiënten van GGz Centraal kreeg IRT behandeling bij terugkerende nachtmerries. Deze behandeling werd vergeleken met de lopende behandeling, waarin geen speciale aandacht was voor de nachtmerries. Patiënten in de IRT-groep werken in zes individuele sessies aan het veranderen van het script van de terugkerende nachtmerries. Vervolgens beeldden de patiënten een paar keer per dag zich de nieuwe droom met een beter einde in. De resultaten toonden aan dat patiënten in de IRT-groep het aantal nachtmerries en vooral de lijdensdruk meer afnamen dan in de wachtlijstgroep. Daarnaast nam ook het aantal PTSS-klachten af. Dit effect bleef ook na zes maanden nog bestaan.

Prof. Dr. J. van den Bout (Universiteit Utrecht) is promotor bij dit promotieonderzoek. Co-promotoren zijn Dr. J. Lancee (Universiteit van Amsterdam) en Dr. V. Spoormaker (Max Planck Institute of Psychiatry, München).

Annette is expert op het gebied van psychotrauma en nachtmerries. Samen met Jaap Lancee en Victor Spoormaker schreef zij in 2012 het boek Imaginatie- en Rescriptingtherapie (IRT) voor nachtmerries, een handleiding voor therapeuten voor de behandeling van nachtmerries, met bijbehorend werkboek voor de patiënt ‘Van je nachtmerries af’. Zij werd hierover geïnterviewd door de Cogiscope voor de Rubriek ‘In de Spreekkamer’, zie voor het artikel Psychotraumanet. Meer over haar onderzoek bij GGz Centraal kun je lezen in het interne interview. Een actuele update van de publicaties van dit promotieonderzoek vindt u hier.

Op 5 februari 2016 promoveerde Dr. M. Klein Hofmeijer-Sevink aan de Universiteit Utrecht op haar proefschrift: ‘Complex anxiety disorders: risk factors, underlying mechanisms and treatment enhancement’.

In haar onderzoeken richtte zij zich voornamelijk op de comorbiditeit bij angststoornissen en d-cycloserine als mogelijke ‘leerpil’ bij exposuretherapie.

Tot wel 80% van de mensen met een angststoornis (bijvoorbeeld een paniekstoornis, sociale fobie, specifieke fobie, gegeneraliseerde angststoornis of agorafobie) heeft gedurende zijn of haar leven ook last van een andere psychiatrische aandoening, dit noemt men comorbiditeit. Vooral een comorbide andere angststoornis of comorbide depressie komt vaak voor. In het eerste deel van haar proefschrift focuste Mieke zich op deze zogenaamde comorbiditeit. Mieke toonde in haar onderzoeken de klinische relevantie van comorbiditeit in angststoornissen aan. Mensen met een comorbide andere angststoornis of een comorbide depressie bleken op jongere leeftijd klachten te krijgen, ernstigere klachten te hebben en er was meer sprake van chroniciteit. Meer specifiek vond Mieke dat mensen met meerdere angststoornissen op jongere leeftijd klachten kregen en deze klachten vaker chronisch waren, terwijl mensen met angst en comorbide depressie vaker behandeling zochten en meer beperkingen in het dagelijks leven ervoeren. Mensen met ‘dubbele comorbiditeit’ (zijnde meerdere angststoornissen en een depressie) hebben nog meer klachten, meer chroniciteit en meer beperkingen in het dagelijks leven.

Het tweede deel van het proefschrift van Mieke focuste zich op het gebruik van de stof d-cycloserine (DCS) om de behandeling van angststoornissen te versnellen of verbeteren. Mieke testte de theorie dat het antibioticum DCS ook als ‘leerpil’ kan worden ingezet. Dit houdt in dat DCS het beklijven van exposuretherapie versterkt. Tijdens deze therapie wordt de patiënt blootgesteld aan zijn of haar angst opwekkende stimulus. De patiënt leert te onderzoeken of de angstige theorie die hij of zij heeft opgesteld stand houdt. DCS zou in dit proces mogelijk het beklijven van het geleerde stimuleren. Wereldwijd is twee keer eerder een dergelijk onderzoek bij patiënten gedaan, en Mieke onderzocht als eerste de invloed van DCS bij Nederlandse patiënten met een paniekstoornis. 60 patiënten met een paniekstoornis kregen 12 exposuretherapie-sessies. Voor, tijdens, en na de 12 weken exposuretherapie vonden meetmomenten plaats. Helaas vond Mieke geen verschil in het effect van exposuretherapie tussen patiënten die DCS gebruikte en patiënten die het middel niet kregen. Het is mogelijk dat DCS inderdaad niet de juiste werking heeft bij paniekstoornissen. Een andere mogelijkheid is echter dat de onderzochte patiëntengroep in het onderzoek van Mieke te klein was om een effect aan te tonen. Mogelijk worden wel positieve resultaten gevonden wanneer de grootte van de patiëntengroep, dosering van DCS, en/of timing en frequentie van toediening worden aangepast. Op dit moment zijn de resultaten nog onvoldoende om het gebruik van DCS als ‘leerpil’ toe te passen in de praktijk. Vervolgonderzoek moet hiervoor verdere aanwijzingen geven.

Prof. dr. M. A. van den Hout (Universiteit Utrecht) en Prof. dr. A. J. L. M. van Balkom (VU Medisch Centrum en GGz inGeest), waren de promotoren, co-promotoren waren Dr. D. C. Cath (VU Medisch Centrum en Altrecht) en Dr. H. J. G. M. van Megen (GGz Centraal).

Mieke publiceerde onder andere tweemaal in het Journal of Affective Disorders (artikel 1, artikel 2)

Thierry Mentzel is verbonden aan Maastricht University en richt zich in zijn promotieonderzoek op bewegingsstoornissen en innovatieve methoden om deze te meten.

Bewegingsstoornissen komen in de psychiatrie veel voor, bijvoorbeeld als bijwerking van medicijnen maar ook als onderdeel symptoom van de onderliggende een psychiatrische stoornis of als bijwerking van medicijnen. Het betrouwbaar en valide vastleggen van de ernst en het type bewegingsstoornis is zowel voor onderzoek als klinisch als voor onderzoek van groot belang. Behandeling kan hierdoor gerichter worden ingezet, en wellicht is een bewegingsstoornis is wellicht in sommige gevallen een voorloper van het ontwikkelen van een volledige psychiatrische stoornis. Voldoende reden om een betrouwbaare en valide instrumenten te ontwikkelen om voor het meten van bewegingsstoornissen te meten. Traditioneel werden worden bewegingsstoornissen gemeten met behulp van scorelijsten en klinische beoordeling. Thierry heeft tijdens zijn promotieonderzoek een aantal methodes ontwikkeld waarmee bewegingsstoornissen  nu ook elektronischvolledig instrumenteel gemeten kunnen worden. Het meten met behulp van zogenaamde bewegingssensoren verhoogt de sensitiviteit en betrouwbaarheid van de metingen.

Thierry toonde met heeft aangetoond zijn dat bewegingsstoornissen nauwkeurig en betrouwbaar gemeten kunnen worden met bewegingssensoren.  aan dat bewegingsstoornissen aanwezig zijn bij mensen met een verhoogde kans op het ontwikkelen van een psychose, en dat deze bewegingsstoornissen vervolgens voorspelde of men al dan niet een psychose ontwikkelde.   Uit eerder onderzoek is gebleken dat subtiele bewegingsstoornissen vaker voorkomen bij mensen met een verhoogd risico op het ontwikkelen van een psychotische aandoening. Binnenkort wordt er onderzocht of deze subtiele bewegingsstoornissen het ontwikkelen van een psychotische aandoening kunnen voorspellen. Hiermee worden Mogelijk zijn bewegingsstoornissen hiermee mogelijk aangetoond als eerste een effectieve biologische prognose maatmarker voor het identificeren van in een kwetsbare groep met een zeer hoog risico op psychose, in dit geval heeft het zin om te screenen op en moet bewegingsstoornissen tijdens de screening de maat voor bewegingsstoornissen worden afgenomenaangezien een vroege interventie een gunstig effect heeft op het beloop van de psychotische symptomen en kan deze ook voorkomen.

Daarnaast deed Thierry onderzoek naar Tardieve Dyskinesie (TD), een ernstige bijwerking van antipsychotica. TD is een bewegingsstoornis en de uiting is persoonsafhankelijk. Voorbeelden zijn het maken van kauwbewegingen, problemen met slikken, optrekken van de wenkbrauwen, plots uitschieten van ledematen, onwillekeurig ritmisch beven en tics. TD is onomkeerbaar en helaas is er nog geen medicijn. Hoewel Thierry met een literatuur onderzoek heeft laten zien dat het wisselen naar het antipsychoticum Clozapine de klachten verminderd. Het Daarom is het  van belang TD tijdig te signaleren zodat, zo mogelijk, op een andere behandeling kan worden overgegaan. Thierry ontwikkelde een elektronisch meetinstrument dat het objectief meten van TD mogelijk maakt. Het instrument detecteert subtiele bewegingsstoornissen die de klinisch mogelijk ontgaan. Door het inzetten van dergelijke meetinstrumenten kan een belangrijk stap worden genomen in het tijdig signaleren van de ontwikkeling van TD.

Prof. dr. Peter van Harten (Maastricht University, GGz Centraal) en Prof. dr. Hein Daanen (Vrije Universiteit Amsterdam, TNO) treden op als promotoren bij dit onderzoek. Co-promotoren zijn dr. Ritsaert Lieverse (Maastricht University, GGz Mondriaan) en dr. Oswald Bloemen (Maastricht University, GGz Centraal).